Jarenlang droeg Marjorie Olieberg (38) een geheim met zich mee dat haar
extreme angst- en paniekklachten bezorgde. Haar autistische zoontje Rivano (5)
gaf haar de kracht af te rekenen met het verleden. “Het ergste was mijn
overtuiging: ik faal als moeder.”

“Het gaat zo wel over, sprak ik mezelf toe en probeerde de tintelingen en de kramp in mijn hoofd die ik voelde te negeren. Maar toen ik op zoek naar mijn telefoon een glimp van mezelf in de spiegel opving en zag dat de helft van mijn gezicht scheef hing, schrok ik. In paniek belde ik mijn moeder en mijn man Patrick: ‘Dit is foute boel!’ Op weg naar
het ziekenhuis voelde ik de linkerhelft van mijn lijf niet meer. Ik raakte mijn coördinatie kwijt en begon te slingeren.

De dienstdoende neuroloog besloot direct tot opname, maar geen enkele arts kon zeggen
wat er met me aan de hand was. En terwijl ik daar lag, dacht ik alleen maar aan Rivano. Hij gaat dit niet begrijpen. Hij heeft structuur nodig en ik heb hem hier niet op kunnen voorbereiden. Voor mijn gevoel liet ik hem zó in de steek. Een dag later kwam hij met
Patrick op bezoek. Hij had een bosje bloemen in zijn hand en zei: ‘Mama, jij komt niet terug!?’ Mijn hart brak en ik dacht: wat er ook gebeurt, ik ga knokken. Na twee weken kwam de uitslag. Lichamelijk was er niets met me aan de hand. De arts zei: ‘Dit is het
resultaat van jarenlange mentale uitputting. Je bent op. Als je zo doorgaat, zul je je kindje niet zien opgroeien.’ Toen knapte er iets en dacht ik: nú ga ik de waarheid vertellen.

Op de basisschool was ik anders dan de andere kinderen.

Ik hield van lezen, was gevoelig en mijn thuissituatie was anders. Mijn moeder was een alleenstaande tienermoeder. Ze had het financieel niet gemakkelijk en ik ging soms in onverzorgde kleding naar school. Bovendien had ik pluizig haar en droeg ik een bril. Het pesten begon in groep 3, op de dag dat ik met mijn nieuwe bril naar school kwam. Ik had hem samen met mijn moeder uitgezocht en was blij en trots. Hij was rood en er zat een koordje aan. ‘Wat ben je lelijk!’, riepen een paar kinderen. ‘Brilsmurf!’

Vanaf die dag werd het steeds erger. Het dieptepunt was de keer dat een meisje op de schouders van een ander meisje klom om mijn bril van mijn gezicht te schoppen. Ik viel op de grond en huilde. Mijn bril lag naast me, met een barst in het glas. ‘Zo, heb je ruitschade?’, grapte een meester. Iedereen begon te lachen en het voelde alsof de hele wereld mij moest hebben. In de straat waar ik woonde, werd het ook erger. Als ik buitenkwam, was het: ‘Hé gekke Marjorie!’ Zelfs volwassen mensen noemden me ‘Brillie’ als ze me zagen.

Het leek normaal te worden. Thuis vertelde ik wat er gebeurde, maar mijn moeder en mijn oma bagatelliseerden het en zeiden: ‘Je moet je niet zo op je kop laten zitten. Ga eropaf!’ Maar dat kon ik niet. Het zat niet in mijn aard terug te schelden. In plaats daarvan trok ik me terug en besloot ik thuis niets meer te vertellen over de pesterijen. Op het schoolplein ging ik in een hoekje staan en thuis zat ik op mijn kamer gedichten te schrijven of te lezen. Ik weet nog dat ik uit het raam keek naar de spelende kinderen op straat en dacht: wat is er mis met mij?

Ik voelde me eenzaam en als troost begon ik te eten en werd ik te zwaar. De kinderen in de klas maakten knorgeluiden bij het uitdelen van de schoolfoto’s en tijdens de gymlessen hoorde ik fluisteren: ‘Moet je die dikke zien.’ Het deed pijn, maar ik reageerde niet. Ik deed alsof het me niet raakte en probeerde sterk te zijn. Op de middelbare school bedacht ik dat mensen me leuker zouden vinden als ik er anders uit zou zien. Ik begon extreem te diëten, werd superslank en transformeerde in een uitdagende meid met strakke truitjes, veel make-up en een grote mond. Het werkte. Ik werd gezien en dat voelde zó goed!

Ineens hoorde ik bij een clubje stoere jongens en meiden. Schrijven en lezen deed ik niet meer. Dat had ik weggestopt. Ik ging roken, pleegde winkeldiefstallen en werd regelmatig de klas uitgestuurd. Ik voelde me machtig. Totdat ik in de ogen van het groepje een jongen had ‘afgepakt’ van een ander meisje. Alles sloeg om. Maandenlang werd ik door mijn zogenaamde vrienden uitgescholden, geduwd en uiteindelijk genegeerd. Het was afschuwelijk en ik voelde me terug bij af. Maar ik besloot: je zult het nooit aan me zien en ik vertel het aan niemand.

Bijna mijn hele schooltijd ben ik buitengesloten en gepest

Dat had me een minderwaardigheidsgevoel gegeven. Ik koos het verkeerde vriendje, dat me mishandelde en bedreigde, en bij mijn werkgever had ik zo’n bewijsdrang dat ik letterlijk neerviel van het harde werken en een burn-out kreeg. In die periode ontmoette ik Patrick. We gingen samen naar musea en het theater en ik voelde me fijn bij hem. Maar ik vertelde hem niets over mijn verleden.

Bang dat hij me zwak zou vinden. We wilden graag kinderen, ik raakte zwanger en voelde me gelukkig. Na de twintigwekenecho bleek dat ons kindje een klein hoofdje had en misschien niet gezond zou zijn. Dat maakte me angstig en onzeker. Kan ik wel een goede moeder zijn? Ben ik wel sterk genoeg? Wat als hij ook ‘anders’ is en gepest gaat worden?

Bij zijn geboorte bleek Rivano’s hoofdje normaal en iedereen haalde opgelucht adem. Maar ik merkte algauw dat hij geen contact maakte en erg veel huilde. Hij sliep slecht, lachte nooit en toen hij ouder werd, bonkte hij met zijn hoofdje tegen de muur. Ik dacht direct aan autisme, maar dat werd weggewuifd door artsen en het consultatiebureau. ‘Je maakt je te druk’, zeiden ze.

Weer had ik het gevoel dat ik niet serieus werd genomen en ik kreeg last van paniekaanvallen. Rivano was bijna 1 toen ik met hem in de kinderwagen in de gang stond om naar de eendjes te gaan en de deur niet meer uit durfde. Drie kwartier heb ik daar staan bibberen en huilen als een klein kind. Ik was zó bang. Rivano keek me aan met een blik van ‘eendjes’? Dus ik raapte al mijn moed bijeen, veegde mijn tranen weg en dacht: ik ga het doen. ‘We gaan naar de eendjes, liefje’, zei ik.

Hij klapte blij in zijn handjes. Maar halverwege ging mijn hart zo tekeer dat ik dacht dat ik doodging. Ik ben omgekeerd en zei: ‘Sorry, mama kan het niet.’ Ik ontwikkelde agorafobie en durfde bijna niet meer naar buiten. Maar het ergste was mijn overtuiging: ik faal als moeder.

Rivano was 2,5 toen hij alsnog met autisme werd gediagnosticeerd.

Maar onze directe omgeving had weerstand tegen de diagnose en we werden voor gek
verklaard. ‘Hij moet gewoon leuke dingen doen, dan gaat het wel over.’ Opnieuw voelde ik me niet gehoord. Dat gaf me een enorme strijdlust en ik dacht: ik ga ervoor zorgen dat Rivano niet overkomt wat mij is overkomen. Dat zijn ‘anders zijn’ niet tegen hem wordt gebruikt.

Alle hulpbronnen die er waren om hem te helpen met zijn ontwikkeling, boorde ik aan. Babymassage, aromatherapie, gebarentaal, een ‘mama-en-ik’-groepje. Soms had ik drie afspraken op een dag met therapeuten of begeleiders. Gekkenwerk. Daarbij was Rivano ook fysiek agressief. Het ene moment was hij lekker met zijn treintje aan het spelen en het volgende begon hij te gillen en te schreeuwen en kreeg ik het treintje naar mijn hoofd.

Ik sliep niet meer, was doodmoe en zat soms huilend op de fiets naar een afspraak omdat ik een paniekaanval had en geen lucht kreeg, maar ik ging door. Tot die dag dat ik in de spiegel keek en mijn verlamde gezicht zag.

Het is nu twee jaar geleden dat ik Patrick en mijn familie alles vertelde.

Mijn pestverleden en wat het met mij had gedaan. Dat luchtte zo op! Hun reactie was hartverwarmend: ‘Jij staat er nooit meer alleen voor.’ Na een jaar cognitieve gedragsen danstherapie viel er een last van mijn schouders.

Nu durf ik eindelijk mezelf te laten zien, ontmoet ik mensen die bij me passen en zijn de paniekaanvallen verdwenen. Ik pakte het schrijven weer op en vorig jaar kwam mijn boek Zo anders, hoe pesten mijn leven heeft veranderd uit, waarin ik mijn verhaal vertel. Omdat ik duidelijk wil maken welke extreme gevolgen langdurig pesten op een mens heeft.

Zonder beschuldigingen of verwijten, maar om anderen te inspireren. Want ik sta nu met Rivano vooraan bij het Sinterklaasfeest en denk: wat is dit leuk! Dat gun ik anderen ook. Ook ben ik bezig met het ontwikkelen van een e-learning-methode voor ouders die net te horen hebben gekregen dat hun kind autisme heeft. Nooit geweten dat ik zo veel ambitie had!

Met Rivano gaat het goed. Hij wordt niet gepest, maar hij vindt het wel moeilijk om vriendschappen te sluiten. Hij heeft vanwege zijn autisme het vermogen niet om samen te spelen. Voor spontaniteit is geen ruimte en hij houdt erg vast aan structuur. Maar daar
vinden we een weg in. De belangrijkste les die ik heb geleerd is: je kunt veel meer dan je denkt. En dat is de boodschap die ik Rivano wil meegeven.”

 

Dit artikel komt uit een eerdere editie van Fabulous Mama.

Tekst Tessa Bosman | Beeld Mariel Komschot

Wil jij geen enkele editie missen? Abonneer je dan nu op Fabulous Mama magazine!

Wil je op de hoogte blijven van de leukste artikelen en toffe winacties? Volg Fabulous Mama magazine op Instagram, Facebook en meld je aan voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.