Haar zoontje Mees is een paar maanden oud als Nathalie (43) voor de tweede keer in haar leven in een zware depressie belandt. “Houdt dit nog op? Kom ik hier ooit nog uit? Ik sliep niet meer. Toen besloot ik me te laten opnemen.”Mees is nu 7, maar de gevolgen van de hel van toen, zijn nog elke dag voelbaar.

“Niets drong nog tot me door. Alles wat ik deed, leek volstrekt zinloos. Als ik de vaatwasmachine uitruimde, stond ik minutenlang met een kopje in mijn hand. Waar moet dit heen? Ik wist het niet. En het kon me ook niet schelen. Ik voelde me van alles afgesloten. Maakte geen contact meer. Ook niet met Mees.

Het enige wat ik voelde, was een diepe, allesoverheersende somberheid en een gevoel helemaal niets waard te zijn. Elke dag weer. Continu. Soms probeerde ik het weg te duwen. Dan dacht ik: ik moet gaan sporten, een ritme creëren. Maar het hielp niet. Het ging niet weg. En elke dag dat het niet weg was, werd het nog uitzichtlozer. En toen werd ik bang. Houdt dit nog op? Kom ik hier ooit nog uit? Ik sliep niet meer. Voelde me opgejaagd. Alsof ik voortdurend achterna werd gezeten. Ik dacht dat ik doodging van angst. Mees was acht maanden toen ik besloot me te laten opnemen in een psychiatrische kliniek. ”

De eerste depressie

De eerste keer dat Nathalie in een depressie belandt, is ze 25. Haar relatie is  net uit en ze weet even niet hoe ze verder moet met haar studie. Of dat het getriggerd heeft? Misschien. Ze weet het niet. Uiteindelijk gaat het, met behulp van therapie en de juiste antidepressiva, na twee jaar beter. Nathalie: “Ik ontmoette mijn man Mark en kreeg een baan bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Een drukke baan. Ik reisde regelmatig af naar landen als Afghanistan en Kosovo.

Achteraf gezien, heb ik me toen heel erg willen bewijzen. Zo van: kijk eens hoe goed het weer met me gaat! Maar zo goed ging het helemaal niet. Ik hing de stoere vrouw uit, maar eigenlijk voelde ik me een klein muisje. Als je een depressie hebt gehad, houd je altijd een psychische kwetsbaarheid. Zo’n baan kon ik helemaal niet aan. Maar dat wilde ik toen niet zien. In die tijd heb ik meerdere malen geprobeerd de medicijnen af te bouwen. En elke keer dat het niet lukte en de neerslachtigheid en de angst weer toesloegen, voelde als een teleurstelling.

Medicijnen

Omdat Mark en ik graag samen kinderen wilden, probeerde ik opnieuw om de medicijnen af te bouwen. En deze keer lukte het wel. Ik voelde me goed en bleef stabiel. Dat vond ik ook belangrijk. Ik dacht: als ik niet stabiel ben, begin ik er niet aan. Ik verheugde me op het moederschap en raakte vrij snel zwanger. De eerste drie maanden gingen prima. Maar in de vierde maand sloeg de paniek toe. Straks ben ik verantwoordelijk voor een kind! Dat kan ik niet aan! Doodsbang werd ik.

Omdat die stress niet goed was voor mij en voor de baby, ging ik op advies van de dokter terug aan de antidepressiva. Mijn gevoelens schreef ik op in een boekje. Voor later. Voor Mees. Ik dacht: als hij hier iets aan overhoudt, kan het misschien helpen om te lezen hoe die periode was voor mij. Daarna ging het beter en toen Mees er eenmaal was, voelde ik me prima. Totdat hij een paar maanden oud was.

De antidepressiva die altijd hadden gewerkt, sloegen niet meer aan. Ik voelde me wegzakken. De psychiater die ik inschakelde, probeerde het ene na het andere middel op me uit. Ik voelde me net een experiment. En terwijl zij heel optimistisch was: ‘We krijgen het wel onder controle’, voelde ik me alleen maar slechter en werd ik steeds wanhopiger. Het leek alsof er een ontploffing in mijn hoofd had plaatsgevonden. Ik kon geen orde meer scheppen.

Mark moest elke dag een schema voor me klaarleggen: opstaan, boodschappen doen, Mees ophalen bij het kinderdagverblijf. Anders lukte het niet. Ik zorgde voor Mees op de automatische piloot. Dan dacht ik: ik moet Mees nu eten geven. Of: ik moet nu een stukje met hem gaan fietsen. Ik draaide een programma af, omdat ik wist dat het goed was, maar ik was er totaal niet bij. Eten smaakte me niet en energie om het klaar te maken, had ik al helemaal niet.

Tijdens een wandeling op het strand wilde ik foto’s maken van de zee. Ik zag dat het prachtige beelden waren, maar ik voelde niets. Dat was zó afschuwelijk. Er zat totaal geen verbetering in de situatie, ik sliep niet meer en werd steeds radelozer. Ik zag nog maar één uitweg: mijzelf laten opnemen.”

De psychiatrische kliniek

In de psychiatrische kliniek zoeken de artsen verder naar een medicijn dat aanslaat. Langzaam ziet Nathalie een scenario dichterbij komen dat haar de stuipen op het lijf jaagt. Nathalie: “Ik wist: als medicijnen niet werken, is de volgende stap elektroshocktherapie. Daar was ik zo bang voor. Sommige mensen in de kliniek knapten er inderdaad van op, maar ik had ook een jongen gezien die er gebroken uit was gekomen en er spiertrekkingen aan had overgehouden, waardoor hij raar liep. Dat was echt een schrikbeeld.

Godzijdank vonden ze op tijd een medicijn dat aansloeg en eindelijk stopte de vrije val waarin ik was beland. Het verblijf in de kliniek deed me goed. Alle dagelijkse beslommeringen werden er uit handen genomen. Dat gaf rust. En er was regelmaat. Eten, sporten, slapen. Heel basaal. Dat technisch laten functioneren van je lichaam hield me op de been. Maar toen ik me beter ging voelen, kwamen het verdriet en het schuldgevoel. Wat voor moeder ben ik geweest voor Mees? Wat houdt hij hier later aan over? En ik was er nog lang niet. Als Mark en Mees op bezoek kwamen, was ik heel blij om hen te zien. Maar na een halfuur was ik kapot. Het kostte me zo veel energie.

Na drie maanden

Na drie maanden waren de diepste somberte en angst verdwenen en mocht ik weer naar huis. Maar ik was nog niets waard. Ik kon mezelf aankleden, dat was het. Maar dat liet ik niet merken aan Mees. Ik wilde het graag goedmaken. De tijd inhalen. Ik gaf hem overdreven veel aandacht en durfde hem nauwelijks terecht te wijzen. Als ik moe werd en wat geïrriteerd raakte: ‘Nu even niet Mees!’, voelde ik me daarna meteen weer schuldig. Totaal niet relaxed, natuurlijk.

Voor mijn eigen gemoedsrust heb ik toen een hulpverlener laten komen om Mees en mij een dag te observeren. Om te kijken of hij wel goed gehecht was. Gelukkig bleek alles normaal. Mees was een jaar of vier toen ik ging denken over een tweede kindje. Terwijl ik wist dat de impact van een zwangerschap en de hormoonveranderingen een derde depressie konden opwekken. Bovendien had ik ook echt tijd voor mezelf nodig. Om op te laden.

Met twee kleine kinderen in huis zou dat onmogelijk zijn. Maar de gedachte aan een broertje of zusje voor Mees en hoe leuk dat voor hem zou zijn, bleef maar door mijn hoofd spelen. Totdat ik besefte dat ik voor Mees aan het denken was. Wat wilde ik eigenlijk zelf? Ook Mark leek het verstandiger om het bij één kind te houden. Maar ik heb er heel lang mee gezeten. Als ik een zwangere vrouw op straat zag lopen, deed dat pijn. En als mensen mij nu vragen: ‘Hoeveel kinderen heb je?’, voel ik nog steeds – ook al ben ik heel blij met Mees – een beetje een steek als ik moet antwoorden: ‘Eentje.’

Een tweede depressie

Als je eenmaal een depressie hebt gehad, is de kans op een tweede depressie 50%. De kans op een derde is 70 tot 80%! Voor de buitenwereld draai ik weer volledig mee. Maar ik moet heel goed opletten dat ik in balans blijf. Als ik een dag te veel heb gedaan, doe ik de volgende dag rustig aan. Steeds moet ik mezelf erop wijzen dat ik dicht bij mezelf moet blijven.

Op school zochten ze ouders om te begeleiden bij het schoolreisje. ‘Superleuk, toch, met al die kinderen?’, hoorde ik een moeder zeggen. Maar zo’n dag is veel te intensief voor mij. Dat weet ik, maar toch knaagt het. Ik moet echt mijn best doen om mezelf niet stom te vinden dat ik dat niet kan. Het is ook zo moeilijk uit te leggen aan anderen. Als je reuma hebt, zeg je dat gewoon op het schoolplein. Maar als ik een slechte dag heb, zeg ik niets. Dat voelt heel alleen. Maar ik ga ook niet leuk staan doen als ik me rot voel. Zo ver ben ik wel.

De gedachte dat Mees iets heeft overgehouden aan de periode dat ik er niet voor hem was, voor en tijdens mijn opname, kan ik moeilijk loslaten. Mees heeft soms moeite om zich te concentreren op school. Als ik dat dan hoor van zijn juf, denk ik meteen: dat komt door mij. De medicijnen die ik nu krijg, werken goed. Ik ga dan ook niet meer proberen ermee te stoppen.

Laatst zei iemand: ‘Maar wil je het dan niet zelf kunnen?’ Dan denk ik: vraag je dat ook aan iemand met diabetes die elke dag insuline moet spuiten? Mensen die nooit een depressie hebben gehad, kunnen het maar moeilijk begrijpen of vinden het eng. Daarom zet ik me nu in voor de Depressievereniging, waarvan ik sinds kort directeur ben. Zodat het bespreekbaar wordt.

Bovendien voelt het heel goed om mijn capaciteiten te gebruiken. Het is mijn eerste betaalde baan na mijn depressie. Ik heb jarenlang vrijwilligerswerk gedaan om mijn belastbaarheid weer op te bouwen en ik voel dat ik vooruitga. Maar de zorg dat Mees misschien psychisch tegen dingen aan gaat lopen, omdat ik er niet altijd voor hem was en ook omdat hij op mij lijkt, die blijft. Ik weet dat ik hem niet voor alles kan behoeden. Hij moet het zelf doen. Maar ik probeer het goede voorbeeld te geven. Naar jezelf luisteren. Je niet te veel door anderen laten leiden. Ik hoop dat hij zo voldoende zelfvertrouwen opbouwt. En mocht hij vastlopen, dan weet ik in elk geval hoe het is. Dan kan ik hem bijstaan.”

Meer informatie op www.depressievereniging.nl

Dit artikel komt uit een eedere Fabulous Mama.

Wil jij geen enkele editie missen? Abonneer je dan nu op Fabulous Mama magazine!

Wil je op de hoogte blijven van de leukste artikelen en toffe winacties? Volg Fabulous Mama magazine op InstagramFacebook en meld je aan voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.