In 2004 vlucht de zwangere Iraakse Hadeer al Mosalam met haar man naar Syrië. Ze zitten er in een vluchtelingenkamp als hun dochter wordt geboren. Dan moet haar man terug naar Irak, om te werken, en verdwijnt daar. Uiteindelijk komt Hadeer drie jaar geleden naar Nederland. “Nu kan ik mijn dromen waarmaken. Maar ik heb nog altijd hoop dat mijn man op een dag hier aanbelt.”

“Daar zat ik dan, in het vliegtuig vanuit Syrië naar Nederland op de vlucht. Ik ging een nieuw leven starten, mijn dochter zou een goede en gelukkige toekomst hebben zonder gevaar, angst en verdriet. Mooi, maar enorm moeilijk tegelijk.

Ik ben geboren in Irak, als jongste in een gezin van drie. We waren christenen, een minderheid in Irak, maar hadden het goed thuis. Op mijn vijftiende werd ik voorgesteld aan mijn toekomstige man, de zoon van een vriend van mijn vader. Ik weet nog dat ik dacht: dat heeft mijn vader goed gedaan, ik vond hem meteen leuk. We gingen trouwen en kregen allebei een goede baan. Ik als tandtechnicus en mijn man als apotheker.

We hadden een mooi huis, een leuk leven vol vrienden en dachten al stiekem aan het krijgen van een kindje. Het was perfect. Maar toen kwam de oorlog en omdat we in Bagdad woonden, zaten we er meteen middenin. Ineens waren het geen toeterende auto’s die we buiten hoorden, maar schoten. Lijken lagen op elke hoek van de straat. Autobommen, aanslagen en de dood waren de orde van de dag geworden.

Op dat moment was ik zwanger en daardoor voelde ik me nog eens extra kwetsbaar. Ik was doodsbang en kwam de deur niet meer uit. Mijn man kon niet anders dan naar zijn werk blijven gaan. Dat was ongeveer vijftien minuten lopen vanaf ons huis. Telkens als hij weg moest, huilde ik, niet wetende of hij levend terug zou komen.

Vluchtten

Uiteindelijk vluchtten we eind 2004 met mijn vader en mijn man naar Damascus, in Syrië. Daar is onze dochter geboren in een ziekenhuis. Ik weet nog goed hoe groot ik het contrast vond van die ziekenhuiskamer en het vluchtelingenkamp waarin we inmiddels zaten. De kamer was prachtig, licht en schoon. Om geld te verdienen, ging ik na de geboorte van Martina als schoonmaakster aan de slag bij een hoge piet van de Syrische president Assad. Mijn man kon weer als apotheker werken, maar hij verdiende heel weinig.

Syrië is veel armer dan Irak en de lonen waren laag. Van de organisatie van het vluchtelingenkamp waar we verbleven, kregen we ook nog 120 euro per maand, maar bij elkaar was het nog steeds lang niet genoeg om met vier personen van te kunnen leven. Mijn man moest uiteindelijk wel terug naar Irak, zodat hij ons geld zou kunnen sturen. Op 9 december 2007 is hij vertrokken. Het was de laatste keer dat ik hem zag.

Ik heb hem nog wel gesproken aan de telefoon. Hij zei dat er gevaarlijke mannen op straat waren die rondjes bleven rijden door de buurt en die willekeurig mensen meenamen. Ik weet dat gesprek nog heel goed. ‘Ik ben bang, Hadeer’, zei hij. ‘Kom terug naar Syrië’, smeekte ik hem. Sindsdien heb ik nooit meer iets van hem gehoord.

Verscheurd van verdriet en angst

Verscheurd van verdriet en angst ben ik met Martina teruggegaan naar Irak, om hem te zoeken. Was hij ondergedoken, ontvoerd of vermoord? Ik ben naar het politiebureau in Bagdad gegaan, waar ze me foto’s lieten zien van honderden doodgeschoten mannen. Maar hun gezichten kon ik niet goed zien, want die waren compleet beschadigd en verwond. De politie deed verder niks voor me. Het was angstig.

Ik ben overal gaan vragen: in winkels, op zijn werk, bij buurtbewoners, familie en vrienden, maar niemand wist iets of had iets gezien. Twee jaar lang heb ik gezocht. Telkens ging ik met Martina een week terug naar Irak en dan was ik weer twee maanden in Syrië. In die periode was ik geen leuke moeder. Ik was continu aan het huilen, had last van paniekaanvallen en nachtmerries.

Op voorschrift van een psycholoog kreeg ik valium, zodat ik kon slapen. Het liefst wilde ik ook dood, maar dat kon niet, vanwege mijn dochter. In 2009 ging ik voor de allerlaatste keer terug naar Irak. Daar kon ik inmiddels niet meer zonder hoofddoek over straat, het was te gevaarlijk. Overal liepen mannen in lange gewaden, met geweren. Nog nooit heb ik me zo bang en kwetsbaar gevoeld als toen. Mijn tante vertelde dat haar dochtertje vermoord was, terwijl ze haar op haar arm droeg. Verschrikkelijk, maar dat soort dingen gebeurden aan de lopende band.

De dood van mijn achternichtje was voor mij de druppel. Het was klaar, ik moest de zoektocht naar mijn man opgeven en teruggaan naar Syrië. Ik kon niet ook nog eens mijn dochter verliezen en zij mocht mij ook niet kwijtraken. Wie zou er voor haar en mijn vader moeten zorgen als ik er niet meer was? Voor Martina ben ik teruggegaan en heb ik het naast me neergelegd. Maar nog steeds word ik emotioneel als ik eraan denk wat er met mijn man gebeurd zou kunnen zijn. Ik weet het niet en zal het misschien ook nooit te weten komen.

In 2010 mocht ik als uitgenodigde vluchteling samen met mijn vader en mijn dochter naar Nederland komen.

Mijn zus woonde hier al. De vlucht was voor mij heel dubbel; aan de ene kant had ik het gevoel dat ik mijn man in de steek liet, maar aan de andere kant was ik ook blij. Ik ging een nieuw leven starten, mijn dochter zou een goede en gelukkige toekomst hebben zonder gevaar, angst en verdriet. Ze zou hier op straat kunnen spelen, iets wat in Irak ondenkbaar is.

Nederland was mooi en rustig, het was goed zo. Toen we op Schiphol aankwamen, werden we opgehaald door mijn zus. Zij heeft ons naar het asielzoekerscentrum in Leersum gebracht, waar we ons moesten melden om in te schrijven. We kregen een sleutel voor onze kamer, een ruimte met drie bedden, maar ik trok liever in bij mijn zus in Rotterdam.

Martina was 6 jaar oud toen we in Nederland aankwamen. Ze mocht meteen naar groep twee van de basisschool, waar ze razendsnel Nederlands leerde. Martina is een slim, precies en leergierig meisje. Ze kan goed luisteren en vindt het leuk op school. Eens in de twee weken moesten we ons melden bij het asielzoekerscentrum en kregen we een stempel. Mijn zus reed ons telkens heen en weer.

Ondertussen stond ik op de wachtlijst om een huis toegewezen te krijgen. Dat werd het huis waar ik nu nog woon, samen met Martina, een halfuur rijden van mijn zus vandaan. Mijn vader woont precies tussen mij en mijn zus in. Van de gemeente kreeg ik geld om mijn nieuwe huis in te richten. Ik was een dolgelukkige moeder, maar ook eentje die wilde werken voor haar geld en voor onze toekomst.

Voor mijn dochter wil ik het goede voorbeeld geven en ik hoop dat zij later ook een goede baan krijgt. Ik heb een inburgeringscursus gedaan en heb via VluchtelingenWerk mijn coach ontmoet. Een fantastische man, die me veel heeft geleerd en me aan een baan heeft geholpen. Ik ben hem ontzettend dankbaar en nog steeds hebben we goed contact. Ik werk fulltime als tandtechnicus en maak veel overuren. Mijn salaris is minimaal, maar ik ben blij met alles wat ik krijg. Mijn vader is veel bij ons thuis en past op Martina als ze uit school komt, dat vind ik fijn. Maar ik besef dat hij ook een dagje ouder wordt en vraag me af hoe dat in de toekomst zal gaan.

Inmiddels ben ik drie jaar in Nederland

Inmiddels ben ik drie jaar in Nederland en ben ik heel erg veranderd, niet alleen als mens, maar ook als moeder. Ik heb een nieuw bestaan moeten opbouwen hier en dat was en is soms best pittig, maar ik ben blij. Nu heb ik ook een baan, ik heb Nederlands geleerd en ik kan echt zeggen dat hier mijn thuis is. Ik kan aan een toekomst voor mijzelf en mijn kind werken. Nu kan ik mijn dromen waarmaken. Ik mag zelf bepalen wat ik doe, ik heb rechten en ik word gerespecteerd. In Irak is dat wel anders. Het is hier vrijer.

Mijn vader is een oude man, in zijn hoofd zit hij nog in Irak. Die cultuur zit in zijn hersenen. Hij begrijpt niet dat ik soms in een rokje en blote benen over straat ga. Maar ik geniet juist van die vrijheid. Ik zou het leuk vinden om een Nederlandse vriend te krijgen. En voor Martina een vader, die haar bijvoorbeeld komt ophalen van school. Toch heb ik nog altijd hoop dat mijn man op een dag hier aanbelt. Wie weet. Ik heb verhalen gehoord van mannen die tien jaar gevangen hebben gezeten en nu weer vrij zijn. Maar misschien is hij vermoord. Ik weet het niet.

In Syrië ben ik moeder geworden van Martina. Onze band is door ons vluchtverleden ontzettend sterk. Wij zijn één. Ik besef wel dat ik haar soms meer moet loslaten, maar dat vind ik nog moeilijk. Ik ben heel beschermend naar mijn dochter toe en wil haar het beste van het beste geven. Misschien omdat ze geen vader heeft, wil ik dat compenseren met spullen en leuke dingen. Ze zit op zwemles, gaat naar de film, speelt buiten met haar vriendinnetjes en eet pannenkoeken en patat. Ik ben geen strenge moeder, van mij mag ze alles, maar ze is niet verwend, hoor. Daar heb ik het geld ook niet voor.

Ik heb Martina alles verteld

Ik heb Martina alles verteld, dat vind ik belangrijk. Over mijn zwangerschap, haar geboorte in Syrië, de zoektocht naar haar vader en onze vlucht naar Nederland. Het is haar geschiedenis. Ik hoop dat ik, als het later weer rustig is in Syrië, een keer terug kan gaan met Martina om te laten zien waar ze vandaan komt. Syrië is mijn tweede thuis, dat land betekent meer voor me dan Irak. De mensen daar zijn ontzettend arm, maar zo lief.

Tien jaar geleden had ik niet durven dromen dat ik gelukkig zou zijn in Nederland. Wat dat betreft, heb ik niet veel meer te wensen. Behalve dan dat Martina haar school afmaakt en een goede baan vindt. En ik hoop dat ze een lieve man vindt, en dat dat niet elke maand een ander is. Haha, dat is misschien nog het laatste stukje Irak dat in me zit.”

Uitgenodigde vluchtelingen

Elk jaar nodigt Nederland ongeveer vijfhonderd vluchtelingen uit om zich hier te vestigen. Zij komen vooral uit vluchtelingenkampen. Het gaat om mensen die niet kunnen terugkeren naar hun eigen land en die in een uitzichtloze situatie zitten. Vluchtelingen die worden uitgenodigd, worden door de Verenigde Naties (VN) geselecteerd en krijgen van de Nederlandse overheid direct een verblijfsstatus. Ze hoeven dus niet door de reguliere asielprocedure en ze krijgen een eigen woning toegewezen en mogen meteen aan het werk. De meesten  komen uit Irak, Birma, Bhutan, Eritrea, Congo en Syrië. Ongeveer 30% is vrouw, ongeveer 40% kind.

Met dank aan VluchtelingenWerk Nederland en Romke van der Steeg.

Dit artikel komt uit een eedere Fabulous Mama.

Wil jij geen enkele editie missen? Abonneer je dan nu op Fabulous Mama magazine!

Wil je op de hoogte blijven van de leukste artikelen en toffe winacties? Volg Fabulous Mama magazine op InstagramFacebook en meld je aan voor onze tweewekelijkse nieuwsbrief.